Vijf dingen die je moet weten over „haatimams”

Vijf dingen die je moet weten over „haatimams”

30-05-2015 18:17 | gewijzigd 30-05-2015 18:18 | Jacob Hoekman

Bestaan ze wel: imams uit het Midden-Oosten die nooit een onvertogen woord hebben gezegd? En bij hoeveel onvertogen woorden mogen ze Nederland niet meer in? Justitie worstelt met de preken van radicale islamitische geestelijken.

Dit weekend is het weer zover: Tarik Chadlioui, ofwel Tarik ibn Ali, is in Nederland. Hij zou spreken op een conferentie in Almere. En dat terwijl hij gezien wordt als betrokken bij Sharia4Belgium, de inmiddels opgedoekte radicale Belgische moslimclub die vóór het plegen van aanslagen was.

En zo is er haast elke week wel een islamitische geestelijke met een twijfelachtige reputatie op een conferentie ergens in het land. Dat is niet iets van de laatste maanden, maar gebeurt al vele jaren.

Dat er steeds meer aandacht voor de kwestie is, ligt zonder twijfel voor een deel aan de opkomst van Islamitische Staat. De radicale islam is voor niemand nog een ver-van-mijn-bedshow.

Islamitische predikers die hier hun boodschap komen brengen, liggen dan ook onder een vergrootglas. Toch leidt dat niet tot eenduidige uitkomsten. De één komt het land binnen, de ander niet. De grens ligt formeel bij het oproepen tot geweld. Maar in de praktijk ligt dat niet zo helder. Een verkenning in vijf vragen.

  1. Hoe kun je ze tegenhouden?

Als een imam een paspoort heeft van een van de Schengenlanden –zoals Tarik ibn Ali, die een Belgisch paspoort heeft– kan hij bijna niet vooraf geweigerd worden. Dat bleek al in 2012, toen een Kamermeerderheid de Britse imam Haitham al-Haddad buiten de deur wilde houden. Dat lukte niet. Toenmalig minister Opstelten zei destijds dat hij een EU-burger alleen kan tegenhouden als zijn gedrag „een actueel, werkelijk en ernstig gevaar vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving.”

Ook als, bijvoorbeeld, een Saudische geestelijke ongewenst is maar wel een visum heeft voor een ander Schengenland, wordt het lastig om op te treden. Het is dan in de praktijk eenvoudig om door te reizen naar Nederland: grenscontroles binnen het Schengengebied zijn er immers nauwelijks. Op die manier zou eerder deze maand bijvoorbeeld de Saudische imam Aaidh al-Qarni naar Eindhoven komen. Hij had een visum voor Italië en kon zo doorreizen naar Nederland. Op het laatste moment ging dat niet door, omdat Italië na de Nederlandse ophef het visum introk.

Hetzelfde is dit weekend in Almere aan de hand, waar behalve Tarik ibn Ali ook de Saudische sjeik Esam Alowed komt spreken, die zich schuldig gemaakt zou hebben aan een hele serie antisemitische uitspraken. Hij heeft een visum voor Duitsland en kan dus ook Nederland binnenkomen.

Pas als een imam een visum aanvraagt voor Nederland, wordt het een ander verhaal. Dat visum kan geweigerd worden, of zelfs achteraf nog ingetrokken worden, zoals minister Koenders in februari deed. Toen zouden zeven islamitische geestelijken spreken op een conferentie in Rijswijk –onder wie de eerder genoemde Tarik ibn Ali–, maar de minister trok de visa van drie van hen in.

Maar ook dan moeten er goede redenen voor zijn – redenen die Koenders overigens niet bekend heeft gemaakt. Hij zei alleen maar dat hij zich baseerde op nieuwe informatie van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) en dat de intrekking „past in het kader van het actieprogramma jihadisme.”

Dat geeft wat houvast, want in dat actieprogramma, dat vorig jaar werd opgesteld, staat ondubbelzinnig een nieuwe maatregel aangekondigd: „Predikers uit visumplichtige landen, die oproepen tot haat en geweld, wordt een visum geweigerd.” Blijkbaar hebben medewerkers van de NCTV de preken van de zeven imams minutieus nagevlooid en werden die van minstens drie sprekers niet in orde bevonden.

  1. Heeft het zin hen tegen te houden?

Niet voor wie denkt dat daarmee hun denkbeelden buiten de deur blijven. Dat idee is met de opkomst van sociale media volstrekt achterhaald. Een geestelijke als de Saudische prediker Aaidh al-Qarni heeft op Twitter het gigantische aantal van 9,23 miljoen volgers, en dat zijn echt niet allemaal landgenoten van hem. Zijn volgers zitten over de hele wereld.

„En dan heb je ook YouTube nog”, zegt de Leidse dr. Maurits Berger, hoogleraar Islam and the West. „Toen ik in Syrië woonde, werden kranten van een bepaalde dag verboden”, herinnert hij zich. „Dat helpt dus niets. Dan krijg je mensen die expres op zoek gaan naar de inhoud van die krant.”

„Maar”, zegt Peter Knoope, tot voor kort directeur van het International Centre for Counter-Terrorism (ICCT) in Den Haag, „internet alléén is niet alles. Fysieke contacten zijn in de meeste gevallen wel degelijk van belang als iemand wordt gerekruteerd. Het kan dus wel degelijk helpen om iemand de toegang tot Nederland te weigeren.”

  1. Kan een zwarte lijst helpen?

Peter Knoope vindt een zwarte lijst prima, prof. Berger acht zo’n instrument ongewenst. „Ik houd niet van verbieden. Bovendien moet je het dan twee kanten op doen. Als de islamitische gemeenschap zich érgens over opwindt, is het wel dat er in hun ogen met twee maten wordt gemeten. Dus de vraag is: Moet PVV-leider Wilders ook op zo’n zwarte lijst? Vinden we het terecht dat hij andere landen niet in komt omdat hij zou oproepen tot haat? Ik geloof niet dat een zwarte lijst de oplossing is.”

Toch is zo’n lijst er wel. Dat wil zeggen: de NCTV heeft een „alerteringslijst” van sprekers „die extra aandacht vragen in de beoordeling bij een visumaanvraag”, schreef minister Van der Steur (Veiligheid en Justitie) vorige week in antwoord op Kamervragen van onder anderen CU-Kamerlid Segers.

Op die lijst staat onder anderen de als „zware antisemiet” bestempelde Saudische sjeik Esam Alowed, die deze week voor ophef in Almere zorgde. Maar omdat hij zijn visum via Duitsland kreeg, kwam zijn naam niet langs de NCTV.

Onbekend is hoeveel namen er op de NCTV-lijst staan. Wel wordt de rij steeds langer door regelmatige aanvullingen, maar „over de samenstelling van deze lijst kan ik geen uitspraken doen”, aldus minister Van der Steur.

Dat laatste is jammer, want het zou meer inzicht bieden in de achterliggende instrumenten. Ligt de grens bij het oproepen tot geweld, zoals Berger en Knoope bepleiten? Of wellicht ‘al’ bij grove antiwesterse of racistische uitspraken? En lukt het om daarbij weg te blijven van een theologische beoordeling? Het blijft een raadsel.

Intussen hebben sommige islamitische organisaties zelf de beslissing genomen een zwarte lijst op te stellen. Het Contactorgaan Moslims en Overheid (CMO) doet dat bijvoorbeeld, al realiseert het CMO zich terdege dat een moskeeorganisatie zich niets hoeft aan te trekken van die lijst.

Ook de onbekende organisatie Sunnah4Holland heeft een lijst opgesteld van mensen die „betrouwbaar” zouden zijn (red: al sedert 2011) – gemeten aan de eigen maatstaven. Die zijn heel anders dan de maatstaven van de NCTV. „Naar onze mening gaat een imam over de schreef wanneer hij zaken predikt zonder grondslag in de islamitische bronnen”, zegt woordvoerder Abu Bakr al-Tikriti van Sunnah4Holland desgevraagd over de lijst. „Het is natuurlijk niet zo dat iedere spreker op die lijst honderd procent betrouwbaar is, maar dat kun je ook niet waarmaken.”

Verschillende imams die dit voorjaar zouden spreken op een gala in Rijswijk –het evenement werd uiteindelijk afgelast– noemt Sunnah4Holland juist betrouwbaar (als in: het uitdragen van de mainstream “islaam”) . Dat maakt eens te meer duidelijk dat een lijst met imams behalve over die imams minstens zo veel zegt over de opstellers.

  1. Is de uitnodigende club ook verdacht?

Niet per se, vindt prof. Berger. „Het verbaast me dat sommige van die geleerden worden uitgenodigd, terwijl twee muisklikken verder duidelijk wordt dat ze ook andere boodschappen hebben. Toch denk ik niet dat er sprake is van kwaadwillende opzet bij de uitnodigende organisaties. Het is eerder dommigheid. De mensen in die organisaties zijn vaak ouderen, ze zijn niet zo met internet bezig.”

Dat het geen bewuste keuze is, blijkt volgens prof. Berger uit het feit dat diezelfde ouderen doodsbang zijn dat hun kinderen naar Syrië vertrekken. „De paniek hierover is buitengewoon groot in islamitische kring. Ouders gaan hun kinderen echt niet stimuleren door geweldspredikers naar Nederland te halen.”

Maar, en dat is misschien wel zorgelijker: sommige islamitische organisaties begrijpen met de beste wil van de wereld niet waarom een sjeik fout zou zijn. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Saudische geestelijke Aaidh al-Qarni. Die zou deze maand in Eindhoven spreken – het evenement werd te elfder ure afgelast. De uitnodigende organisatie, stichting Waqf, begreep niets van de ophef. Ook veel moslims in het Midden-Oosten kijken niet op van al-Qarni. Hij geldt als een Saudische geleerde die niet buiten de lijntjes gaat. Hij is zelfs vóór de koning van Saudi-Arabië, iets wat nog radicalere moslims doorgaans niet zijn.

De oplossing van Berger is: niet direct keihard op de juridische trommel slaan, maar met de uitnodigende partij in gesprek gaan. „Vaak wordt zo’n imam hierheen gehaald voor liefdadigheid, om geld in te zamelen. Of omdat hij zeer populair is. Ik hoop dat de AIVD daarover in gesprek gaat: Willen jullie deze man echt? En ik hoop ook dat moslimorganisaties nu wakker worden en hun sprekers grondig googelen.”

  1. Zijn alle salafisten haatpredikers?

Maar wat als aan zo’n beetje élke salafist een vlekje zit? Precies over die vraag maakt de AIVD zich zorgen. Sommige salafistische moskeeën doen er veel aan om jongeren te weerhouden van jihad. Ze zijn juist een buffer tegen de gewelddadige islam. Maar de laatste paar jaar is dat beeld volgens de AIVD rap aan het veranderen. Het salafisme in Nederland is „een kweekvijver voor het jihadisme” geworden, constateerde de dienst vorig jaar.

Buitenlandse predikers spelen daar een belangrijke rol in. Zij en hun organisaties uit de Arabische golfstaten spelen „een belangrijke rol bij het inspireren en daadwerkelijk ondersteunen” van strijdgroepen in Syrië.

Maar betekent dit dat de term salafist bij voorbaat besmet is? Wat prof. Berger betreft niet. „Alle zeer gelovige mensen hebben ermee te maken dat hun opvattingen voor seculier Nederland niet door de beugel kunnen”, zegt hij. Hij haast zich wel erop te wijzen dat de redenen om jihadisten te weigeren, heel andere zijn dan de redenen waarom mensen aanstoot kunnen nemen aan christelijke opvattingen.

Toch zegt niet iedere als „haatimam” bestempelde geestelijke per se heel vreselijke dingen. In het geval van Tarik ibn Ali, bijvoorbeeld, valt het nog niet mee om hem te betrappen op oproepen tot geweld of soortgelijke taal. Het is de vraag of de term haatprediker op hem van toepassing is. Zo zijn er meer voorbeelden te noemen van geestelijken die in de media wel erg snel in het hokje van haatzaaiers terecht zijn gekomen – wat de verongelijkte houding onder moslims voedt. Justitie gaat „steeds vaker eenzijdig te werk bij het weren van „haatpredikers””, zegt de woordvoerder van Sunnah4Holland die zich Abu Bakr al-Tikriti noemt. „Wij zijn van mening dat dit een aanval is op de vrijheid van meningsuiting, omdat men specifiek de moslims eruit pikt.”

Mede om die reden vindt zowel Berger als Knoope dat salafistische geestelijken nooit categorisch de toegang tot het land ontzegd moet worden. Beiden vallen terug op hetzelfde uitgangspunt: de rechtsstaat met de bijbehorende vrijheid van meningsuiting moet overeind blijven. „We zijn het als vrije samenleving aan onszelf verplicht om geen groepen mensen van het debat uit te sluiten”, zegt Knoope. „Het moet een uitzondering zijn om iemand te weren vanwege zijn mening. Als samenleving geloven we in het debat en de confrontatie. Verbieden is soms nodig, maar het blijft altijd een zwaktebod.”

 

https://www.youtube.com/watch?v=f333CCuIRyE